Overslaan en naar de inhoud gaan
VIGNET

RECHT IN ZICHT: Vakantiestress met vakantiedagen

 

Mark en Patricia Broere van het ms ‘Lucca’ hebben twee matrozen. De Tsjechische Tynek via een Tsjechisch uitzendbureau en de Nederlandse matroos Huub, die ze zelf in vaste dienst hebben. Mark en Patricia willen dit jaar samen met hun kinderen drie weken naar Spanje en Portugal. Maar hoe moet dat dan met hun schip? En hoe zit het met de vakantie van de matrozen?

Naar Nederlands recht hebben zowel hun werknemer als een uitzendkracht met een Nederlandse arbeidsovereenkomst recht op 16 2/3 uur vakantie voor iedere gewerkte maand. Of een evenredig deel daarvan, als er geen volledige maand gewerkt is. Bij een fulltime dienstverband van 40 uur zijn dat dus 25 vakantiedagen per jaar. Het wettelijke minimum op te nemen vakantiedagen is 20. Alleen de 5 extra (bovenwettelijke) vakantiedagen mag de werkgever (of het uitzendbureau) eventueel in geld uitkeren.

In de arbeidsovereenkomst met de Nederlandse matroos Huub staat dat hij per jaar 25 vakantiedagen heeft, 20 wettelijke en 5 bovenwettelijke vakantiedagen. De wettelijke vakantiedagen van 2019 zijn in 2020 nog 6 maanden geldig. Daarna vervallen ze. Huub moet zijn 20 wettelijke vakantiedagen dus voor 30 juni 2020 opnemen. Huub wil over 3 jaar graag een maand naar Australië en is dagen aan het sparen. Bovenwettelijke vakantiedagen zijn 5 jaar geldig, die uit 2019 vervallen dus op 31 december 2024. Mocht het er niet van komen ze op te nemen, dan kunnen deze bovenwettelijke dagen alsnog worden uitbetaald.

In november 2018 heeft het Europese Hof bepaald dat vakantiedagen niet vervallen of verjaren, wanneer de werkgever de werknemer niet in staat heeft gesteld vakantie op te nemen en/of heeft nagelaten de werknemer tijdig te informeren over het verlies van vakantiedagen.

De werkgever kan de werknemer niet dwingen vakantie te nemen, maar de werkgever doet er goed aan de werknemer er - zeker wanneer er verval van vakantiedagen dreigt - formeel (dus schriftelijk, per brief of e-mail) op te wijzen dat hij of zij er wijs aan doet vakantie op te nemen.  En erop te wijzen wat de gevolgen zijn voor de vakantiedagen, wanneer de werknemer dat niet doet. De werkgever moet dat tijdig doen, zodat de werknemer nog de mogelijkheid heeft in alle rust een vakantie te plannen en deze op te nemen. Als het niet mogelijk is vakantie op te nemen wegens bedrijfsbelangen van werkgever, kan er geen sprake zijn van verval van vakantiedagen.

Let op: de werkgever moet kunnen bewijzen dat hij de werknemer tijdig en goed op zijn vakantiemogelijkheden heeft gewezen én heeft verteld wat de consequenties zijn, wanneer er geen vakantiedagen worden opgenomen. Er rust dus een actieve informatieplicht op de werkgever. Wanneer de werkgever de werknemer niet zelf actief en tijdig informeert, kunnen de betreffende vakantiedagen in de toekomst alsnog worden opgenomen of moeten die bij het einde van het dienstverband alsnog worden uitbetaald.  

Ynke Ooijkaas is advocaat bij Boonk Van Leeuwen Advocaten te Rotterdam en gespecialiseerd in vervoers-, binnenvaart- en handelsrecht. Ze geeft juridische ondersteuning aan diverse binnenvaartorganisaties alsook aan de zogenaamde ‘bruine vloot’.

leaderboard