Overslaan en naar de inhoud gaan
Een keenaak, noemen sommigen de Alida. Remco Visser, haar huidige eigenaar en schipper, noemt haar een lahnaak of leunder.
Remco Visser bij de hoofdmast van de Alida. "Qua romp is het een supersnel schip". Foto Heere Heeresma jr.
Vreemde eend in de chartervaart zeilt als een surfplank

‘Hier is er maar één van’

De in 1907 als vrachtschip voor ondiepe vaarten gebouwde Alida blijkt als charterschip uitstekend te zeilen. De tweemaster valt onmiddellijk op, tussen de tjalken en klippers van de zeilende chartervloot.

HEERE HEERESMA JR

In de eerste plaats is er dat opvallende grote scheproer met die merkwaardig gekromde helmstok. En dan is er de boeg, die aan een schouw doet denken. Ook de lijn van het schip is anders; rechter, lager en hoekiger dan de meeste zeilschepen.
Een keenaak, noemen sommigen de Alida. Remco Visser, haar huidige eigenaar en schipper, noemt haar een lahnaak of leunder. “Leun is een dorpje aan de Duitse rivier de Lahn, waar ze in 1800 houten schepen bouwden. Dit schip is in 1907 bij Van Aller in Hasselt gebouwd, naar het voorbeeld van die schepen. Ze wilden de Duitse naam niet gebruiken en daarom hebben ze het een leunder genoemd”.


De Alida werd gebouwd in opdracht van Wytze van der Kamp (1877-1968) wiens vader en grootvader met Overijsselse zompen voeren, houten scheepjes van 15 ton. Het schip is vernoemd naar zijn vrouw Aaltje Seijen.
Volgens het rijk gedocumenteerde en geïllustreerde boek ‘Zeilschip Alida’ van Henk Dessens, plaatsvervangend directeur van Het Scheepvaartmuseum te Amsterdam, vond hun kennismaking als volgt plaats: toen de 29-jarige Wytze op zijn vorige, houten schip door de Drentse Hoofdvaart voer, riep Aaltje hem toe: ‘Schipper, heb jij wel een vrouw aan boord?’ Op het ontkennende antwoord riep zij: ‘Dan wil ik jouw vrouw wel wezen!’
Kort na hun huwelijk liet Wytze de Alida bouwen. Ze kregen negen kinderen in het kleine roefje. Net als de houten zompen was de stalen Alida gebouwd om door ondiepe vaarten en sloten de kleinste haventjes in het oosten van Nederland te bereiken. Het laadvermogen was 143 ton. “Dat haalde zij uit haar lengte”,  vertelt Visser. “Het schip heeft weinig diepgang, is slechts vijf meter breed en 32 meter lang”.


Stevelen

In 1949 werd de Alida verkocht aan schipper Herman Jansen sr. (1896-1988), die haar naar zijn jongste dochter Gerda vernoemde. Herman sr. had de gemotoriseerde tjalk Loma en liet zijn zoons Herman jr., Jo en dochter Liesbeth op de Gerda werken. Aanmodderen is misschien een beter woord, want de Gerda had nog steeds geen motor, alleen de oorspronkelijke kleine mast met een steunzeiltje. Er werd geboomd, gejaagd en gesteveld.
“Stevelen is het schip met de stroom mee van de rivier laten varen”, vertelt Visser. “Dat kon met een bepaald verval, daarna werd het verval te gering om voldoende vaart te maken”. In het boek van Dessens wordt Jo geciteerd: "Vanaf Spijk kon je de rivier afstevelen of drijven, tot Wijk bij Duurstede. Bij lagere bovenwaterstand van de rivier was eb en vloed bij Wijk al goed merkbaar".


Het duurde tot 1951 eer de Gerda gemotoriseerd werd. Liesbeth in het boek van Dessens: "Mijn vader was ontzettend zuinig en vond dat we het maar met dit schip moesten redden zoals het was. Op een keer werden wij door de tjalk van onze ouders gesleept en toen we voorbij Hasselt voeren, heeft mijn moeder tegen mijn vader gezegd dat ze de sleepdraad door zou kappen als hij nu niet besloot om er in Hasselt een motor op te laten zetten”.
Herman sr. zwichtte en er werd een zijschroef met een 26 pk Blackstone geplaatst. Vanaf 1959 voeren Herman sr. en zijn vrouw Louisa Maria op de Gerda. In 1961 werd Herman sr. 65 jaar, maar weigerde aow aan te vragen, omdat hij zich niet kon voorstellen dat je geld kon krijgen zonder dit later terug te moeten betalen.
Na twee jaar vroeg zijn vrouw alsnog aow voor hem aan, maar ze bleven tot 1971 reizen maken. Het oude echtpaar bleef lange tijd aan boord wonen - eerst in Arnhem en tenslotte in Nijmegen. Volgens Visser ging Louisa Maria op een gegeven moment naar een bejaardentehuis, waar Herman sr. haar voor het ontbijt en avondeten opzocht, maar aan boord bleef slapen.

alida
 

Surfplank

In 1988 kocht charterschipper Ron Goemans de Gerda en gaf haar de oorspronkelijke naam Alida terug. Hij bouwde haar om tot zeilcharterschip met 300 vierkante meter zeil, waarvoor hij een langere mast, een bezaanmast en een kluiverboom plaatste. Ook werd een DAF 615 van 120 pk ingebouwd. Er zijn twaalf tweepersoonshutten. In 1999 kocht Remco Visser de Alida. Visser komt uit een Friese familie die tot in Londen toe paling verkocht, die met platbodems over de Noordzee werd gevaren.
Visser begon op zijn 20ste als maat op de eenmasttjalk Wending en als zetschipper op de eenmast zeetjalk Eben Haëzer. Ook voer hij op de coasters Amy en Vios. De Alida is zijn derde charterschip, na de boltjalk Elbrich en het zeiljacht Ramona. Naast de Alida heeft hij de tweemastklipper Suydersee en een Friese snik voor dagtochten. Momenteel vaart hij afwisselend met Ron Goemans als schipper op de Alida.


Visser roemt de zeilkwaliteiten van het schip en vergelijkt haar met een surfplank: “Qua romp is het een supersnel schip. Lengte loopt en dat merk je met dit schip. Ze is niet rond op de kimmen, maar geknikt, en dat geeft een kieleffect, waardoor je op ondiep water zonder zwaarden heel goed uit de voeten kunt”. Die kwaliteiten blijken uit de zeilwedstrijden die de Alida gewonnen heeft: de Beurtveer, herhaaldelijk de Waddenrace, de Brandarisrace.
In het boek van Dessens vertelt hij hoe de Alida de Brandarisrace won, doordat zij met haar geringe diepgang over de banken kon zeilen. Het volgende jaar was het wedstrijdreglement zodanig aangepast dat dit niet meer kon. De Alida vaart bij de Frisian Sailing Company vanuit Harlingen.
Visser zegt van avontuurlijk zeilen te houden: “Met die diepgang heb je op het Wad een veel groter vaargebied dan de meeste schepen. Je kunt veel langer over de banken doorzeilen”.


‘Zeilschip Alida’ van Henk Dessens is voor 14,95 euro te bestellen via ayaysailing@gmail.com

leaderboard