
De grootste uitdagingen voor 2026 voor de maritieme sector zijn volgens minister Robert Tieman van Infrastructuur en Waterstaat het investeren in mensen, innovatie en samenwerking. Hij wijst erop dat het aantal studenten in maritieme opleidingen sneller dan gemiddeld daalt, terwijl het hard nodig is dat er mensen zijn die systemen kunnen bouwen, onderhouden en vernieuwen.
Dat is te lezen in de maritieme monitor die begin december is gepresenteerd met daarin de stand van zaken van de maritieme sector en de havens in Nederland van het afgelopen jaar.
Het aantal studenten aan maritieme opleidingen neemt sinds 2020 relatief sterk af. Een afname van het aantal studenten is op zich niet vreemd; het totaal aantal studenten aan alle opleidingen in Nederland is afgenomen. Het is volgens de onderzoekers zorgelijk dat het aantal studenten aan maritieme opleidingen zowel op mbo- en hboniveau, als op wo-niveau sneller afneemt dan het landelijk gemiddelde van alle studierichtingen. De mbo-opleiding voor de binnenvaartsector kende zo in 2020 nog 955 studenten, in 2024 was het 690. Het blijkt ook dat er best wel wat mensen weer uit de sector vertrekken als ze eenmaal binnen zijn. De hoogste uitstroom zit in de categorie 26-35 jaar. De maritieme sector slaagt er goed in om jonge mensen aan te trekken, maar deze jonge mensen behouden lijkt lastig. Van de uitstroom gaat bijna de helft (45 procent) naar een andere, niet-maritieme sector. Slechts 16 procent blijft in de binnenvaartsector of gaat naar een andere maritieme sector.
Economische waarde
De werkgelegenheid in de haven- en maritieme clusters is praktisch gelijk gebleven ten opzichte van 2023, maar schommelt nog wel zo rond het niveau van net na de coronajaren. Datzelfde geldt voor de toegevoegde waarde van de maritieme sector. De totale toegevoegde waarde van het haven- en maritieme cluster is zo’n 5,6 procent van het Nederlandse bbp. Economisch gezien gaat het goed in de sector.
Het aantal schepen in de binnenvaartsector dat onder Nederlandse vlag vaart blijft wel afnemen, ook in 2024, met name in de categorie kleiner dan duizend ton. In 2024 voeren er 4.614 binnenvaartschepen onder Nederlandse vlag; 141 minder dan in 2023. In 2011 bestond de vloot nog uit ruim 5.500 schepen.23 Deze daling valt deels te verklaren door de schaalvergroting in de binnenvaart. Het aantal schepen groter dan 3.000 ton is namelijk met bijna 200 schepen toegenomen tot 840 sinds 2011. De laatste jaren speelt ook de geopolitieke situatie, waarbij schepen uitgevlagd worden vanuit Nederland en de (duurzaamheids- en technische) vereisten aan schepen een rol in de afname van de het aantal binnenvaartschepen onder Nederlandse vlag.
Duurzaamheid
Duurzaamheid en vergroening blijven belangrijke thema’s. In 2024 is het aantal schepen met alternatieve aandrijvingen gegroeid met vier schepen. De CO₂-uitstoot stijgt nog wel, maar minder hard dan voorheen. Die afvlakking in groei kan duiden op een beginnende stabilisatie van de emissies na een periode van snelle toename.
Tegelijkertijd groeide de CO₂-uitstoot sinds 2001 minder snel dan de economische toegevoegde waarde van de sector, wat erop wijst dat het vervoer over water in verhouding tot zijn economische groei minder emissie-intensief is geworden, al neemt de totale uitstoot nog steeds toe.
Het rapport meldt dat de sector voorzichtig blijft met grote investeringen zolang onduidelijk is welke brandstoffen en aandrijflijnen dominant worden. Het grootste deel van de ‘groene’ schepen bestaat uit dualfuel, schepen die op LNG / diesel varen. Waterstofcombinaties zijn in opkomst, hetzelfde geldt voor elektrisch aangedreven schepen. Volgens het onderzoek blijken rederijen en werven veel in te zetten op flexibiliteit: schepen zijn dan ‘methanol-ready’ of ‘hydrogen-ready’.
De Nederlandse binnenvaart bevindt zich middenin een verduurzamingstraject dat wordt gekenmerkt door technologische innovatie, beleidsmaatregelen en samenwerking binnen de sector. Waar in eerdere jaren vooral de invoering van emissienormen voor luchtverontreinigende stoffen centraal stond (zoals voor NOx en fijnstof), verschuift de aandacht de laatste jaren naar de reductie van broei-kasgasemissies en de praktische toepassing van alternatieve brandstoffen, hybride en elektrische aandrijfsystemen. Tegelijkertijd neemt de inzet op de opschaling van emissielabels en certificeringsprogramma’s toe, waarmee de prestaties van schepen beter inzichtelijk worden gemaakt. Biobrandstoffen, zoals FAME, spelen hierbij een belangrijke rol als directe transitieoplossing. Daarnaast worden hybride en (diesel-)elektrische aandrijvingen steeds vaker toegepast, met name bij schepen die op gemengde vaarprofielen opereren. Tegelijkertijd lopen er demonstratieprojecten van schepen met alternatieve aandrijflijnen, die vooral nog in een test- en ontwikkelfase verkeren. Digitalisering speelt eveneens een grotere rol: door slimme routeplanning en monitoring worden brandstofverbruik en emissies verder teruggebracht.
Ondanks deze vooruitgang staat de sector voor grote uitdagingen. De doelstelling om de CO2-uitstoot in 2030 met veertig tot vijftig procent te reduceren ten opzichte van 2015 lijkt met de huidige maatregelen moeilijk haalbaar; de reductie tot nu toe bedraagt circa acht procent. Ook de betaalbaarheid en de terugverdientijd van investeringen in waterstof- en methanolsystemen blijven onzeker, terwijl infrastructuur voor alternatieve brandstoffen nog beperkt beschikbaar is. Bovendien bestaat een groot deel van de vloot uit oudere schepen waarvan het lastig en kostbaar is om ze om te bouwen. In de praktijk kiezen veel ondernemers daarom voor levensduurverlenging en optimalisatie van het schip, bijvoorbeeld via aanpassingen aan de onderwaterromp of het gebruik van efficiëntere nabehandelingssystemen . Dit gebeurt echter niet op grote schaal, omdat de investeringskosten hoog zijn en de emissiewinst bij oudere motoren vaak beperkt blijft. Voor de langere termijn zullen waterstof, methanol en elektrificatie, ondersteund door een betere infrastructuur en consistente beleidskaders, cruciaal zijn om de binnenvaart structureel klimaatneutraal te maken, zo voorspellen de onderzoekers.
Minister Tieman: “Wie de energietransitie omarmt, investeert ook in onafhankelijkheid en strategische autonome. Elektrische werkschepen, hybride aandrijving en methanol-ready nieuwbouw maken de sector schoner én minder kwetsbaar.”
De belangrijkste trend is volgens het rapport dat verduurzaming verschuift van losse pilots naar structurele implementatie, al blijft onzekerheid over brandstofkeuze, infrastructuur en internationale beleidsrichting mede door het uitstel van het IMO-kader een rem op grootschalige investeringen.
